|

|
|
|
 |
|
Het begin van het verhaal van Jona/Joenoes lijkt op verhalen van andere profeten zoals Noach, die hun volk tevergeefs waarschuwen voor een komende ramp. Maar de afloop is heel anders. Het volk van Joenoes (Koran) c.q. de stad Nineve (Bijbel) bekeert zich voordat de straf van God op hen neerdaalt. God vergeeft hen en laat hen nog een tijd genieten van hun aardse leven.
Maar eerst overkomt Jona/Joenoes het volgende: hij ontvlucht boos zijn volk en gaat aan boord van een schip. Tijdens een storm wordt er geloot wie er overboord moet worden gezet om de lading lichter te maken. Het lot valt op de profeet.
Hij wordt opgeslokt door een vis en krijgt dan wroeging dat hij is weggelopen. Hij roept Allah aan. Allah vergeeft hem en de vis spuugt hem uit op een strand. Allah laat daar een plant over hem heen groeien om hem schaduw te geven. Ook in de Bijbel wordt Jona door een vis opgeslokt en iets later in het verhaal laat God voor Jona een boom groeien.
Wanneer hij is bijgekomen, wordt hij teruggestuurd naar zijn volk, dat zich nu bekeert. Zo wordt de dreigende ramp alsnog afgewend. In de Bijbel wordt de vreemde stad Nineve met name genoemd. In de Koran gaat het om het eigen volk van Joenoes.
Joenoes wordt opgenomen in de indrukwekkende lijst van profeten, en er is in de Koran een hoofdstuk naar hem genoemd. Ook in de Bijbel krijgt Jona een eigen hoofdstuk. |
 |
|
 |
|
 |
De profeet Jona vlucht voor God Eens richtte de Heer zich tot Jona... ‘Ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen, want het kwaad dat ze daar doen is ten hemel schreiend.’ En Jona... vluchtte... Hij... vond er een schip en ging aan boord om mee te varen...weg van de Heer. Maar de Heer wierp een hevige storm op de zee, en de zee werd zo wild dat het schip dreigde te breken. De zeelieden werden bang, en ieder riep tot zijn eigen god om hulp. Intussen overlegden de zeelieden: ‘Laten we het lot werpen om te weten te komen wiens schuld het is dat deze ramp ons treft.’ Ze wierpen het lot, en het lot viel op Jona. Toen zeiden ze tegen hem: ‘Vertel ons: Hoe komt het dat deze ramp ons treft?’ Jona antwoordde: ‘Ik ben een Hebreeër en ik vereer de Heer, de God van de hemel, de God die de zee en het land gemaakt heeft.’De mannen werden doodsbang toen ze van hem hoorden dat hij was weggevlucht van de Heer, zeiden ze tegen hem: ‘Hoe heb je dat kunnen doen? Wat moeten we met je doen, dat de zee ons met rust laat?’ ‘Gooi me in zee, dan zal de zee jullie met rust laten. Want ik weet dat het mijn schuld is dat deze storm zo tegen jullie tekeergaat.’ Toen tilden ze Jona op en gooiden hem in zee, en de woede van de zee bedaarde. Jona1:1-5, 7-12, 15
Jona opgeslokt door een vis De Heer liet Jona opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis. Toen begon hij in de buik van de vis tot de Heer zijn God, te bidden: ‘In mijn nood roep ik de Heer aan en hij antwoordt mij. Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp – U hoort mijn stem! U slingerde mij de diepte in, naar het hart van de zee... Het water stijgt tot aan mijn lippen, muren van water storten op mij neer, zeewier verstikt mij... Zij die armzalige afgoden vereren, verlaten u, trouwe God. Maar ik zal mijn stem in dank verheffen... Het is de Heer die redt!’ Jona 2:1-4, 6, 9-10
Jona en de stad Nineve gered Toen, op bevel van de Heer, spuwde de vis Jona uit op het land. Jona 2:11
Opnieuw richtte de Heer zich tot Jona: ‘Maak je gereed en ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen met de woorden die ik je zeg.’ En Jona... ging naar Nineve, zoals de Heer hem opgedragen had. Jona trok de stad in, ...en riep: ‘Nog veertig dagen, dan wordt Nineve weggevaagd!’ Jona 3:1-4
De inwoners van Nineve geloofden God. Toen de profetie de koning van Nineve bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af en ging, gehuld in een boetekleed, op de grond zitten. En hij liet in Nineve omroepen:‘Laat iedereen anders gaan leven en breken met het onrecht dat hij doet. Misschien dat God van gedachten verandert en op zijn besluit terugkomt; wie weet zal hij zijn woede laten varen, zodat wij niet te gronde gaan.’ Toen God zag dat zij inderdaad anders begonnen te leven, kwam hij terug op wat hij gedreigd had hun aan te doen, en hij deed het niet. Jona 3:5-10
Dit wekte grote ergernis bij Jona en hij werd kwaad... nu liet God, de Heer, een wonderboom opschieten om Jona schaduw boven zijn hoofd te geven en zijn ergernis te verdrijven. Jona 4:1, 6 |
|
 |
|
De profeet Joenoes vlucht voor God Ook Joenoes behoorde tot de gezondenen. 37:139
‘Isaak en Ja‘koeb, ieder (van hen) hebben Wij de goede richting gewezen en Noeh hadden Wij al de goede richting gewezen en... Dawoed, Soelaimaan,... Joesoef, Moesa... – en zo belonen Wij hen die goed doen – en ‘Isa en Isma‘iel... Joenoes en Loet; ieder (van hen) hebben Wij boven de wereldbewoners verkozen... Wij hebben hen verkozen en hen naar een juiste weg geleid. Dat is Gods leidraad waarmee Hij wie van Zijn dienaren Hij wil de goede weg wijst... Zij zijn het aan wie Wij het boek, de oordeelskracht en het profeetschap gegeven hebben... 6:84-89
En (denk red.) aan hem met de vis, toen hij kwaad wegging en meende dat Wij geen macht over hem hadden. 21:87
Toen hij naar het volbeladen schip wegliep en het lot wierp; maar hij was een van de verliezers. 37:140-141
Joenoes opgeslokt door een vis Toen slokte de vis hem op, laakbaar als hij was. 37:142
En hij riep in de duisternis: ‘Er is geen god dan U. U zij geprezen! Ik was een van de onrechtplegers.’Toen verhoorden Wij hem en redden hem uit de nood. Zo redden Wij namelijk de gelovigen. 21:87-88
En als hij niet tot hen die lofprijzen behoord had, dan was hij in zijn buik gebleven tot de dag waarop men wordt opgewekt. 37:143-144
Joenoes en zijn volk gered Volhard dus geduldig tot aan het oordeel van jouw Heer. En wees niet als hij die in de vis was toen hij vol ingehouden woede tot zijn Heer riep. Als hem geen genade van zijn Heer bereikt had was hij, verafschuwd als hij was, op een onbegroeide plaats uitgeworpen. Maar zijn Heer verhoorde hem en maakte hem tot een van de rechtschapenen. 68:48-50
Wij wierpen hem toen, ziek als hij was, op een onbegroeide plaats. En Wij lieten boven hem een pompoen-plant groeien. 37:145-146
En Wij zonden hem naar honderdduizend (mensen) – of het waren er nog meer – die toen geloofden. Hen lieten Wij toen nog een tijd genieten. 37:147-148
Waarom is er geen andere stad geweest die tot geloof kwam en die dan nut van haar geloof had dan het volk van Joenoes? Toen zij tot geloof kwamen hieven Wij de bestraffing van de schande in het tegenwoordige leven van hen op en Wij gaven hun een tijdelijk vruchtgebruik. 10:98
En voor elke gemeenschap is er een gezant. 10:47
En als jouw Heer het had gewild, hadden wie er op de aarde zijn allen geloofd. Of kun jij de mensen dwingen gelovigen te worden? 10:99 |
Koran en Bijbel in verhalen (Marlies ter Borg & Karima Bisschop) © 2007 Unieboek bv
|
|
|