|
Abraham Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen. Genesis 17:7
Van Abraham wordt gezegd: ‘Hij vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.’ U ziet dus dat zij die geloven kinderen van Abraham zijn. (Brief van Paulus aan de) Galaten 3:6-7
Verbod op afgodsbeelden Toen sprak God deze woorden: ‘Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. Vereer naast mij geen andere goden. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de Heer, uw God, duld geen andere goden naast mij. Exodus 20:1-5
De Heer zei tegen Mozes: ‘Zeg tegen de gemeenschap van Israël:Laat je niet in met afgoden en maakt geen godenbeelden. Ik ben de Heer, jullie God.’ Leviticus 19:4
Zoals de Heer, mijn God, mij (Mozes red.) heeft opgedragen, leer ik U wetten...Leef ze strikt na, dan toont u wijsheid en inzicht:...misdraag u niet door een godenbeeld te maken, een afbeelding van welk wezen dan ook, man of vrouw, of van een dier dat op het land leeft of van de vogels in de lucht, van kruipende dieren of van vissen in het water onder de aarde. En als u omhoog kijkt en de zon, de maan en de sterren ziet, al die lichten aan de hemel, laat u er dan niet toe verleiden daarvoor neer te knielen en te vereren wat de Heer, uw God, voor de andere volken op aarde heeft bestemd. (Uit de toespraak van Mozes tot heel Israël red.) Deuteronomium 4:5-6, 16-19
Breek hun altaren af, verbrijzel hun gewijde stenen en hak hun…palen om, want jullie mogen niet voor een andere God neerknielen. Exodus 34:13
Abraham en het Beloofde Land De Heer zei (tegen Abraham red.) : ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen. Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. Genesis 12:1-2
‘Kijk eens goed om je heen, kijk vanaf de plaats waar je nu staat naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. Al het land dat je ziet geef ik aan jou en je nakomelingen, voor altijd. En ik zal je zoveel nakomelingen geven als er stof op de aarde is: ze zullen even ontelbaar zijn als alle stofdeeltjes op de aarde.’ Genesis 13:14-16
Die dag sloot de Heer een verbond met Abram. ‘Dit land,’ zei hij, ‘geef ik aan jouw nakomelingen.’ Genesis 15:18
Abram boog zich diep neer en God sprak: ‘Ik doe jou deze belofte: je zult de stamvader worden van een menigte volken. Je zult voortaan niet meer Abram heten maar Abraham, want ik maak je de vader van vele volken. Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken. Er zullen veel volken uit je voortkomen en onder je nazaten zullen koningen zijn. Jij moet je houden aan dit verbond met mij, evenals je nakomelingen, generatie na generatie.’ Genesis 17:3-6, 9
Ismaël, zoon van Abram en Hagar Abram (Abraham red.) en zijn vrouw Sarai baarde hem geen kinderen. Nu had zij een Egyptische slavin, Hagar. ‘Luister,’ zei Sarai tegen Abram: ‘De Heer houdt mijn moederschoot gesloten. Je moest maar met mijn slavin slapen, misschien kan ik door haar nakomelingen krijgen. Abram stemde met het voorstel in...Hij sliep met Hagar en zij werd zwanger. Toen Hagar merkte dat zij zwanger was, verloor zij elk respect voor haar meesteres… Toen maakte Sarai haar leven zo zwaar dat ze vluchtte. Een engel van de Heer trof haar in de woestijn aan… en zei: ‘Hagar, slavin van Sarai… Je bent nu zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Die moet je Ismaël noemen… Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: hij schopt iedereen, iedereen schopt hem. Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven.’ Genesis 16:1-4, 6-12
(Hagar keert terug en baart Ismaël. Dan volgt nu een ‘vooruitblik’, hier geplaatst om de verhaallijn van Ismaël vast te houden. Na de geboorte van Isaak, zie hieronder, ontstaat opnieuw een conflict. Red.)
Sara … zei...tegen Abraham: ‘Jaag die slavin en haar zoon weg, want ik wil; niet dat mijn zoon Isaak later de erfenis moet delen met de zoon van die slavin.’ Abraham gaf haar (Hagar red.) het kind mee en stuurde haar weg. Ze trok de woestijn… Toen het water…op was liet ze haar kind…achter. Ze ging zelf een eindje verderop zitten, omdat ze niet kon aanzien hoe haar kind stierf. Toen opende God haar de ogen en zag zij een waterput. Ze liep ernaartoe, vulde de waterzak en gaf de jongen te drinken. God beschermde de jongen, zodat hij voorspoedig opgroeide. Genesis 21:10, 14-16, 19-20
Gods gezanten kondigen de geboorte van Isaak aan Op het heetst van de dag zat Abraham in de ingang van zijn tent. Toen hij opkeek, zag hij even verderop plotseling drie mannen staan. Onmiddellijk snelde hij de tent uit, naar hen toe. Hij boog diep en zei: ‘Ik zal water voor u halen dat u uw voeten kunt wassen, maak het u hier onder de boom intussen gemakkelijk. Ik zal u ook iets te eten brengen, zodat u weer op krachten kunt komen voordat u verdergaat.’ Daarna snelde hij naar de kudde, zocht een mooi kalf uit dat er mals uitzag en gaf dat aan de knecht, die het onmiddellijk klaarmaakte. Hij haalde boter en melk, nam het gebraden kalf en zette alles aan zijn gasten voor. Terwijl zij aten, bleef hij bij hen staan onder de boom. Toen zei een van hen: ‘Ik kom over precies een jaar bij u terug en dan zal uw vrouw Sara een zoon hebben.’ Sara, die in de ingang van de tent stond...hoorde dat. Nu waren Abraham en zij op hoge leeftijd gekomen en de jaren dat een vrouw vruchtbaar is, lagen al ver achter haar. Daarom lachte ze in zichzelf Zou de liefde voor mij dan nog weggelegd zijn? dacht ze. Ik ben immers verwelkt en ook mijn man is al oud. Toen vroeg de Heer aan Abraham: ‘Waarom lacht Sara, waarom vraagt ze zich af of ze op haar leeftijd nog wel een kind ter wereld kan brengen? Is ook maar iets voor de Heer onmogelijk? Op de vastgestelde tijd kom ik bij je terug en dan heeft Sara een zoon. ’Geschrokken ontkende Sara: ‘Ik heb niet gelachen.’ Genesis 18:1-5, 7-8, 10-15
De heer zag om naar Sara zoals hij had beloofd, hij gaf haar wat hij had toegezegd: Sara werd zwanger en baarde Abraham op zijn oude dag een zoon, op de vastgestelde tijd, die God hem had genoemd. Abraham noemde de zoon die hij gekregen had en die Sara hem gebaard had, Isaak… Genesis 21:1-3
Het offer van Isaak Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. ‘Abraham!’ zei hij... ‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je aanwijzen zal.’De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij zadelde zijn ezel…hakte het hout voor het offer en ging op weg … Hij pakte het hout voor het offer....legde het op de schouders van zijn zoon Isaak en nam zelf het vuur en het mes. Zo gingen zij samen verder. ‘Vader,’ zei Isaak. ‘Wat wil je me zeggen, mijn jongen?’ antwoordde Abraham. ‘We hebben vuur en hout,’ zei Isaak, ‘maar waar is het lam voor het offer?’ Abraham antwoordde: ‘God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen.’ En samen gingen zij verder. Toen ze waren aangekomen bouwde Abraham een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, op het hout. Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten. Maar een engel van de Heer riep vanuit de hemel: ‘Abraham, Abraham! Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.’ Toen Abraham opkeek, zag hij een ram die met zijn horens verstrikt was geraakt in de struiken. Hij pakte het dier en offerde dat in de plaats van zijn zoon. Toen sprak de engel van de Heer opnieuw vanuit de hemel tot Abraham. Hij zei: ‘Omdat je dit hebt gedaan, omdat je mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden, zal ik je rijkelijk zegenen en je zoveel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee, en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen.’ Genesis 22: 1-17
Abraham, Isaak en Jakob Abraham stierf in gezegende ouderdom: na een lang leven blies hij de laatste adem uit… Zijn zonen Isaak en Ismaël begroeven hem… Na Abrahams dood zegende God Isaak… Genesis 25:7-11
Isaak, de zoon die Abraham verwekt had, was veertig jaar toen hij trouwde met Rebekka... Omdat Rebekka onvruchtbaar bleek, bad Isaak vurig voor haar tot de Heer, en de Heer verhoorde zijn gebed: Rebekka, zijn vrouw, werd zwanger. Toen de dag van de bevalling was gekomen, bracht zij...een tweeling ter wereld. (Het eerste kind red) noemden (zij red.)... Esau...zijn broer...werd Jakob genoemd. Genesis 25:19-21, 22-26 |
|
 |
|
Ibrahiem En wie anders wendt zich af van het geloof van Ibrahiem dan wie zichzelf laat verdwazen? Zeker, Wij hebben hem in het tegenwoordige leven uitverkoren en in het hiernamaals behoort hij tot de rechtschapenen. 2:130
Ibrahiem van afgoden bevrijd En toen Ibrahiem tot zijn vader Azar zei: ‘Houd jij afgodsbeelden voor goden? Ik zie dat jij en jouw volk in duidelijke dwaling verkeren.’ En zo toonden Wij Ibrahiem het rijk van de hemelen en de aarde, opdat hij ging behoren tot hen die vast overtuigd zijn. En toen de nacht hem omhulde zag hij een ster. Hij zei: ‘Dit is mijn heer.’ Maar toen zij onderging zei hij: ‘Ik houd niet van dingen die ondergaan.’ En toen hij de maan zag opkomen zei hij: ‘Dit is mijn heer.’ Maar toen zij onderging zei hij: ‘Als mijn heer mij niet de goede richting wijst zal ik zeker tot de mensen behoren die dwalen.’ En toen hij de zon zag opkomen zei hij: ‘Dit is mijn heer, deze is groter.’ Maar toen zij onderging zei hij: ‘O mensen, ik heb niets te maken met de veelgodendienst die jullie bedrijven. Ik wend mijn aangezicht tot Hem die de hemelen en de aarde aangelegd heeft, als een aanhanger van het zuivere geloof en ik behoor niet tot de veelgodendienaars.’Zijn volk redetwistte met hem. 6:74-80
Toen hij tot zijn vader en zijn volk zei: ‘Wat zijn dat voor beelden waaraan jullie eer bewijzen?’ Zij zeiden: ‘Wij hebben gemerkt dat onze vaderen hen al dienden.’ Hij zei: ‘Dan verkeerden jullie en jullie vaderen in duidelijke dwaling.’ 21:52-54
‘…jullie Heer is de Heer van de hemelen en de aarde die ze ook aangelegd heeft en ik behoor tot hen die jullie daarvan getuigen. En bij God ik zal tegen jullie afgoden een list beramen, nadat jullie de rug hebben toegekeerd.’ Toen sloeg hij ze aan gruizels, behalve een grote ervan... 21:56-58
Ibrahiem belaagd door zijn volk Zij zeiden, (toen zij dit zagen, red.): ‘Wie heeft dit met onze goden gedaan? Die behoort zeker tot de onrechtplegers.’ 21:59
Zij zeiden: ‘Heb jij dit met onze goden gedaan, Ibrahiem?’ Hij zei: ‘Welnee, dat heeft deze grote (afgod) van hen gedaan. Vraagt hun maar als ze kunnen spreken.’ En zij kwamen weer tot zichzelf en zeiden: ‘...Maar je weet toch dat dezen (de afgodsbeelden) niet kunnen spreken?’‘Jullie (de afgodbeelden red) zijn het die de onrechtplegers zijn.’ Hij (Ibrahiem red) zei: ‘Dienen jullie dan in plaats van God iets dat jullie niets nut en niet schaadt? Foei jullie en wat jullie in plaats van God dienen. Hebben jullie dan geen verstand?’ Toen kregen zij een terugval...Zij zeiden: ‘Verbrandt hem en helpt jullie goden, als jullie echt iets willen doen.’ Wij (Allah red) zeiden: ‘O vuur wees koud en ongevaarlijk voor Ibrahiem.’ Zij wilden een list tegen hem beramen, maar Wij maakten hen tot de grootste verliezers. 21:62-70
Isma‘iel, eerste, rechtschapen zoon (Ibrahiem zei red.): ‘Mijn Heer, schenk mij iemand die rechtschapen is.’ Daarop verkondigden Wij hem het goede nieuws van een zachtmoedige jongen. (Isma‘iel red.) 37:100-101
En vermeld in het boek Isma‘iel. Hij hield zich aan zijn toezegging en hij was een gezant en een profeet 19:54
... (hij red.)...behoorde tot hen die geduldig volharden. En Wij hebben (hem)...in Onze barmhartigheid binnen laten gaan; zij behoorden tot de rechtschapenen. 21:85-86
En denk aan Isma‘iel... (hij red.) behoorde tot de goeden. 38:48
Zeg: ‘Wij geloven in God, in wat naar ons is neergezonden en in wat naar Ibrahiem, Isma‘iel, Ishaak...is neergezonden en in wat aan Moesa en Isa is gegeven...’ 2:136
Onze Heer, ik heb enkelen van mijn nakomelingen (Isma‘iel en zijn moeder Hajar red) in een vallei zonder gewas bij Uw heilige huis laten wonen (de Ka‘ba red.), onze Heer, om de salaat te verrichten. Maak dan dat de harten van sommige mensen toeneiging tot hen krijgen en voorzie met vruchten in hun levensbehoeften; misschien zullen zij dank betuigen. 14:37
Zeker, (de bergen red.) as-Safa en al-Marwa behoren tot Gods gewijde symbolen. Als iemand dus een bedevaart maakt naar het huis (Ka‘ba red.), of er een bezoek brengt, dan is het voor hem geen overtreding als hij om beide de omgang verricht. En als iemand uit zichzelf iets goeds doet, dan is God dankbaar en wetend. 2:158
Gods gezanten kondigen de geboorte van Ishaak aan Ook waren Onze gezanten met het goede nieuws tot Ibrahiem gekomen. Zij zeiden: ‘Vrede!’ Hij zei: ‘Vrede!’ En het duurde niet lang of hij kwam met een geroosterd kalf. En toen hij zag dat hun handen er niet aan kwamen kreeg hij argwaan tegen hen en werd door vrees voor hen bevangen. Zij zeiden: ‘Wees niet bang, wij zijn…gezonden.’En zijn vrouw stond erbij en lachte. Toen verkondigden Wij haar het goede nieuws van Ishaak....Zij zei: ‘Wee mij! Zal ik een kind krijgen terwijl ik een oude vrouw ben en mijn echtgenoot hier een oude man? Dit is wel iets wonderlijks.’ Zij zeiden: ‘Verwonder jij je over Gods beschikking? Gods barmhartigheid en Zijn zegeningen zijn voor jullie, mensen van het huis. Hij is lofwaardig en glorierijk.’ 11:69-73
Vrede zij met Ibrahiem! Zo belonen Wij hen die goed doen. Hij behoort tot Onze gelovige dienaren. En Wij verkondigden hem het goede nieuws (over de geboorte) van Ishaak die een profeet uit het midden van de rechtschapenen zou zijn. Wij zegenden hem en Ishaak. En onder hun nageslacht zijn er die goed doen en die zich duidelijk onrecht aandoen. 37:109-113
Lof zij God die mij ondanks mijn ouderdom Isma‘iel en Ishaak geschonken heeft. Mijn Heer is werkelijk de hoorder van het gebed. 14:39
En denk aan Onze dienaren Ibrahiem, Ishaak...die kracht en inzicht hadden. Wij hebben hen met iets bijzonders gekenmerkt: het denken aan de (laatste) woning. ( zie hfst. 18 en 19 red.) Bij Ons behoren zij bij de uitverkorenen, de goeden. En denk aan Isma'iel... Ieder (van hen) behoorde tot de goeden. 38:45-48
Isma‘iel, het offer en de Ka‘ba Toen die zover was dat hij (Isma‘iel red.) met hem (Ibrahiem red.) mee kon gaan zei hij: ‘Mijn zoon, ik heb in de slaap gezien dat ik je zal offeren. Zie eens wat jij ervan vindt.’Hij zei: ‘Mijn vader, doe wat je bevolen is. Je zult merken dat ik, als God het wil, iemand ben die geduldig volhardt.’ Toen zij zich beiden (aan Gods wil) overgegeven hadden en hij hem op zijn voorhoofd had neergelegd (om hem te offeren red.) riepen Wij hem: ‘Ibrahiem! Jij hebt de droom doen uitkomen. Zo belonen Wij hen die goed doen. Dit was duidelijk een beproeving.’En Wij gaven voor hem een geweldig offer in de plaats. En Wij lieten voor hem een goede naam bij het nageslacht na. Vrede zij met Ibrahiem! 37:102-109
En toen Ibrahiem de fundamenten van het huis (de Ka‘bah in Mekka red.) optrok samen met Isma‘iel (smeekten zij samen red.): ‘Onze Heer, aanvaard het van ons. U bent de horende, de wetende. Onze Heer, en maak dat wij ons beiden aan U overgeven en maak van ons nageslacht een gemeenschap die zich aan U overgeeft en toon ons onze riten en wendt U genadig tot ons. U bent de genadegever, de barmhartige.’ 2: 127-128
En toen Wij het huis (de Ka‘bah red.) maakten tot een plaats van samenkomst voor de mensen en een vrijplaats...een gebedsplaats...en Ibrahiem en Isma‘iel opdroegen: ‘Reinigt Mijn huis voor hen die de omgang verrichten, die erin vertoeven en buigen en die zich eerbiedig neerbuigen.’ 2:125
God heeft de Ka‘ba, het heilige huis, gemaakt tot een ondersteuning voor de mensen en evenzo de heilige maand (Hadj), de offergave en de halsomhangsels (om de offerdieren te herkennen red.). 5:97
Ibrahiem, Ishaak en Ja‘koeb En Wij schonken hem (Ibrahiem red.) Ishaak en Ja‘koeb nog bovendien en ieder (van hen red.) hebben Wij rechtschapen gemaakt. En Wij hebben hen tot voorgangers gemaakt die op Ons bevel de goede richting wezen en Wij hebben aan hen geopenbaard de goede daden te doen, de salaat (gebed red.) te verrichten en de zakaat (armenbelasting red.) te geven. En zij dienden Ons. 21:72-73
En denk aan Onze dienaren Ibrahiem, Ishaak en Ja'koeb die kracht en inzicht hadden. Wij hebben hen met iets bijzonders gekenmerkt: het denken aan de (laatste) woning. De tuinen van ‘Adn, waarvan de poorten voor hen open staan. 38:46, 50 |